Het sociaal domein
Het sociaal domein omvat drie wetten: de Jeugdwet, de Participatiewet en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
In Nederland is de uitvoering van deze wetten sinds 2015 toegewezen aan de gemeenten. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor zowel de regie
als de uitvoering van alle werkzaamheden binnen het sociaal domein.
Jeugdwet
Ouders en verzorgers zijn in de eerste plaats verantwoordelijk voor de opvoeding en verzorging van hun kinderen.
Wanneer de omstandigheden zodanig zijn dat zij hierbij ondersteuning nodig hebben, kunnen zij een beroep doen op jeugdzorg.
Sinds 2015 ligt de verantwoordelijkheid voor de beschikbaarheid van jeugdzorg bij de gemeenten. De gemeente Hulst organiseert de jeugdzorg volgens de regels die zijn vastgelegd in de Jeugdwet.
Doelen van de Jeugdwet
De Jeugdwet heeft als belangrijkste doelen:
- Het versterken van de eigen kracht van jeugdigen, ouders en hun sociale netwerk.
- Het organiseren van zorg zodanig dat jeugdigen en hun ouders de regie over hun leven behouden.
- Het bevorderen van het zoeken naar oplossingen binnen de eigen omgeving, met ondersteuning van professionele hulpverleners.
- Het terugdringen van onnodig medicijngebruik en het verminderen van de zorgvraag.
- Het eerder bieden van passende jeugdhulp aan kwetsbare kinderen.
- Het leveren van samenhangende hulp aan gezinnen volgens het principe: ‘1 gezin, 1 plan, 1 regisseur’.
- Het bieden van meer ruimte aan jeugdprofessionals en het verminderen van regeldruk in hun werk.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de goede uitvoering van de jeugdzorg. Zij zorgen voor deskundige organisaties met goed opgeleid personeel dat de kwaliteit van de zorg kan waarborgen. Deze organisaties moeten voldoen aan de eisen die de Jeugdwet stelt.
Vormen van Jeugdzorg
Er zijn verschillende vormen van jeugdzorg, zoals pleegzorg, residentiële jeugdzorg en voogdij. In Zeeland worden deze diensten vaak regionaal en/of provinciaal georganiseerd, zodat de zorg effectief en doelgericht kan worden ingezet.
Participatiewet
Participatie heeft betrekking op de uitvoering van de Participatiewet. Deze wet, die sinds 2015 van kracht is, volgde de Wet werk en bijstand op, welke op haar beurt de opvolger was van de oude en de nieuwe bijstandswet. De Participatiewet kent drie belangrijke onderdelen: inkomensvoorziening, toeleiding naar werk en armoedebestrijding. De gemeente is verantwoordelijk voor de uitvoering van deze wet.
Toeleiding naar werk
De kern van de Participatiewet is dat iedereen zoveel mogelijk in staat wordt gesteld om in het eigen levensonderhoud te voorzien. Werk is hierbij van essentieel belang. Personen die door omstandigheden hun baan verliezen of nog nooit hebben gewerkt, zoals schoolverlaters, kunnen ondersteuning krijgen bij het vinden van werk. De gemeente is wettelijk verplicht om te helpen bij de arbeidsinschakeling. Dit kan via een re-integratietraject, waarin bijvoorbeeld werkervaringsplaatsen, scholing en omscholing worden aangeboden. De kosten die hiermee gemoeid zijn, kunnen worden vergoed. Als betaald werk niet haalbaar is, kan er een participatieplaats worden aangeboden, wat meestal neerkomt op vrijwilligerswerk.
Inkomensvoorziening
Wanneer iemand niet in staat is om zelfstandig de kosten van levensonderhoud te dekken, kan hij of zij aanspraak maken op een uitkering. De gemeente is verantwoordelijk voor het regelen van deze inkomensvoorziening. Dit omvat met name bijstandsuitkeringen, maar ook regelingen zoals de Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte Werkloze Werknemers (IOAW) vallen hieronder.
Armoedebestrijding
Omdat een uitkering in sommige gevallen niet toereikend is, zetten gemeenten zich in voor armoedebestrijding. Dit kan bijvoorbeeld in de vorm van bijzondere bijstand, bedoeld voor onvermijdelijke kosten die voortvloeien uit een bijzondere situatie en waarvoor geen andere vergoedingen beschikbaar zijn, zoals via een zorgverzekering.
De Participatiewet biedt ook de mogelijkheid om personen met een langdurig laag inkomen een inkomenstoeslag toe te kennen. Dit valt eveneens onder armoedebestrijding, net als collectieve ziektekostenverzekeringen voor minima. Gemeenten kunnen daarnaast gebruikmaken van andere vormen van armoedebestrijding, hoewel de mogelijkheden de afgelopen jaren door het Rijk aanzienlijk zijn beperkt.
Wmo
De Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo) is bedoeld voor mensen die hulp of zorg nodig hebben om zelfredzaam te blijven of om actief deel te nemen aan de maatschappij. Dit geldt met name voor mensen met een lichamelijke of verstandelijke beperking, een chronische ziekte, een psychiatrische aandoening, ouderen en mensen met een verslavingsproblematiek. Zowel de inhoud als de werkwijze van de Wmo zijn voortdurend in ontwikkeling.
Waar de Wmo zich voorheen vooral richtte op vervoersvoorzieningen, woonvoorzieningen en rolstoelen, omvat de wet tegenwoordig ook thuisondersteuning, beschermd wonen, dagbesteding, maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en de aanpak van huiselijk geweld.
Niet alleen is het werkveld van de Wmo de afgelopen jaren sterk uitgebreid, ook de werkwijze is aanzienlijk veranderd. Voorheen diende iemand een aanvraag in voor een specifieke voorziening als oplossing voor een concreet probleem. Deze aanvraag werd vervolgens goedgekeurd of afgewezen. Tegenwoordig vindt er een zogeheten ‘keukentafelgesprek’ plaats, waarin uitgebreid wordt besproken welke oplossingen in de betreffende situatie mogelijk zijn. Een maatwerkvoorziening blijft een optie, maar de oplossing kan ook voortkomen uit het eigen netwerk of een algemene voorziening betreffen.
Gemeentelijke verantwoordelijkheid
De zorg voor mensen die hulp en/of ondersteuning nodig hebben, is niet alleen de verantwoordelijkheid van de hulpvrager en diens sociale netwerk. De gemeente speelt hierin een belangrijke rol. Via gebiedsteams kunnen mensen een beroep doen op ondersteuning. Ook instanties zoals woningcorporaties, zorginstellingen, zorgverzekeraars en zorgverleners, waaronder huisartsen, wijkverpleging en mantelzorgers, vervullen een essentiële rol in de hulpverlening.
Een goede afstemming en samenwerking tussen deze instanties en hulpverleners is cruciaal om de zelfredzaamheid en participatie van hulpvragers te bevorderen.